Jongeren en schooluitval

In ons land is het behalen van een diploma of startkwalificatie op minimaal mbo-2 niveau, havo of vwo bepalend voor iemands kansen in de toekomst. Uit publicaties van onder meer de Raad voor Werk en Inkomen blijkt dat dit niveau het mogelijk maakt om goed te participeren op de arbeidsmarkt, en in de maatschappij als geheel. Er is in ons land een aanzienlijke groep jongeren die er niet in slaagt dat niveau te halen. Zij dreigen daarmee voortijdig uit te vallen, zowel op school als in de maatschappij.

Volgens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft het behalen van een startkwalificatie veel voordelen. Zo is aangetoond dat jongeren met startkwalificatie o.m. twee keer zo vaak kans hebben op (passend) werk, sterker staan, vooral in economisch slechte tijden als er ontslagen vallen en minder banen zijn, en vijf keer minder vaak in aanraking komen met criminaliteit. Een goede sociaaleconomische positie kan, naast het voorkomen van armoede, op langere termijn ook bijdragen aan sociale participatie, en het voorkomen van radicalisering en vereenzaming.

Jongeren van 18 tot 23 jaar De primaire doelgroep van het programma Kansen Voor Jongeren bestaat uit jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar zonder startkwalificatie (dat is dus minimaal op mbo-2 niveau), die dreigen voortijdig de school te verlaten of deze al hebben verlaten.
Voor deze groep is gekozen op basis van het volgende: in schooljaar 2009-2010 zijn in totaal 39.600 jong volwassenen van 22 jaar of jonger uitgevallen* . Dit komt overeen met 3% van alle ongeveer 1,3 miljoen leerlingen van 22 jaar of jonger in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs in dat jaar, zo blijkt uit het rapport van Verwey-Jonker.

Van deze 39.600 leerlingen kwam:

  • 75% uit het middelbaar beroepsonderwijs.
  • 22% uit het voortgezet onderwijs, inclusief het vmbo.
  • 3% uit het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (Vavo).

Wat leeftijd betreft is 19% jonger dan 18 jaar, 51% is 18 of 19 jaar, 30% is 20 tot 22 jaar. De laatste twee subgroepen, dus van 18-23 jaar, vertegenwoordigen samen dus maar liefst 81% van de voortijdige schoolverlaters (vsv-ers). Het literatuuronderzoek van het Verwey-Jonker Instituut gaat ook in op de achtergrondkenmerken van vsv-ers.

Vooral jongens (anderhalf keer vaker dan meisjes) en niet-westerse allochtonen (ruim twee keer vaker dan autochtonen) maken kans op voortijdig schoolverlaten. Het opgroeien in een minimagezin draagt bij aan het verhogen van deze kansen op uitval. Dit hangt samen met een geringere sociale participatie en minder sociale vaardigheden, die hiervan het gevolg zijn.

* In de loop van de tijd stroomt een aantal jongeren weer in, de arbeidsmarkt op, of een opleiding in die alsnog kwalificatie biedt. Het definitief aantal uitgevallen jongeren ligt daarmee lager dan deze 39.600. Hoeveel precies valt nu nog niet te zeggen. Volgens cijfers van het CBS keert bijna 30 % binnen vijf jaar terug naar het onderwijs. En driekwart van de schoolverlaters dat zonder diploma de arbeidsmarkt opstroomt heeft na vier jaar een baan.